Presentie in de praktijk:

Investeren in de relatie

Hoe help je zwaar beschadigde jongeren die – gedemotiveerd en afkerig van hulp – zwerven van instelling naar instelling, van loket naar loket? Deze vraag heeft Peter Verstappen zich in het verleden vaak gesteld. Hij werkt al jaren met deze jongeren. Het antwoord ligt in presentie, is zijn rotsvaste overtuiging. “Present zijn, investeren in de relatie, is de enige houding waarmee je als professional iets kunt bereiken bij deze jongeren. Presentie gaat over aansluiten bij de ander. Aansluiten bij wat zich voordoet en begrijpen wat de ander werkelijk bezighoudt. Het klinkt misschien soft, maar in andere sectoren, zoals het bedrijfsleven, zijn ze allang overtuigd van het belang van relationeel werken.”

Experimenteren

maart experimenterenPresentie is een benadering die BJ in de genen zit. Dat is onder meer te zien aan het lage uitvalpercentage onder de jongeren die BJ behandelt. De grondlegger van de presentiebenadering, dr. Andries Baart, deed afgelopen jaar onderzoek bij BJ. Dit leverde een documentaire op die wordt gebruikt om nieuwe medewerkers present te leren werken. Er werd onder meer gefilmd bij
adolescentengroep De Margrietlaan in Helmond. Daar hebben ze afgelopen 3 jaar hard gewerkt aan het presenter maken van de cultuur. Het team kreeg, gecoacht door Peter Verstappen, alle ruimte om te experimenteren. Vaste regels werden loslaten om daadwerkelijk te kunnen aansluiten bij de jongeren. De aanpak wierp zijn vruchten af: het pedagogisch klimaat op de groep verbeterde en het aantal conflicten met jongeren daalde gestaag.

Hulpverlenersjargon

Jacqueline van Ewijk is pedagogisch medewerker op de Margrietlaan, waar ze 10 jongens tussen de 15 en 19 jaar begeleidt. Al 30 jaar werkt ze in de hulpverlening, onder meer in de gesloten jeugdzorg, crisisopvang en een vrouwengevangenis. Overal waar ze kwam, was de hulp gericht op beheersing van moeilijk gedrag. Jacqueline ging inzien dat het niet werkt om je daar alleen maar mee bezig te houden. “Als je je puur richt op het aanleren van vaardigheden en het scoren van gedrag, sluit je te weinig aan bij wie het kind is, bij zijn verleden en zijn herkomst. Jongeren en hun ouders voelen dat en komen in opstand. Dat leidt dan weer tot agressie en conflicten met hulpverleners. De jongeren die wij op de groep krijgen, hebben soms al 15 verschillende adressen gehad. Stel je maar voor! Natuurlijk zijn het boefjes, maar het zijn ook gewoon kinderen die ontzettend veel hebben meegemaakt en zwaar getraumatiseerd zijn. Vanuit presentie heb je oprechte belangstelling voor het leven dat zij leven, probeer je steeds te zoeken naar wat aansluit bij hun situatie, zonder de wijsheid in pacht te hebben.” Als je dat niet kunt of wilt, moet je dit beroep niet kiezen, vindt ze. “Jongeren en ouders voelen feilloos aan of je echt met ze meeleeft, of dat je alleen maar zo praat omdat het je baan is. Ze zijn allergisch geworden voor de taal van hulpverleners. Ze willen niet gezien worden als stoornis, maar als mens.”

Gewoon doen maart gewoon doen

Presentie gaat over ‘gewoon’ doen, zegt Jacqueline. “Natuurlijk moet je je theoretische kennis paraat hebben en weten hoe je jongeren verder kunt helpen, maar je moet van de hulp niet iets bijzonders maken. Als een jongere niet wil praten, moet je je niet opdringen en gaan graven. Gewoon geduld hebben en wachten tot de gelegenheid zich voordoet.” Een presente hulpverlener heeft geen vaste opvattingen over hoe de zorg hoort te zijn, zegt ze. “Je kunt wel uit de boekjes geleerd hebben om professionele afstand te houden, maar de behoefte aan afstand of nabijheid is per jongere heel verschillend. De één wil juist een aai over zijn bol, maar voor een ander kom je veel te dichtbij, die roept: ‘Je bent mijn moeder niet!’.
Jongeren hebben het recht om hun grenzen aan te geven en als hulpverlener moet je proberen te zien wat een jongere echt nodig heeft.”

Tussen soep en aardappelen

Bij de adolescentengroep hebben ze op deze manier allerlei vanzelfsprekendheden kritisch onder de loep genomen. “Vroeger riepen we een jongere naar kantoor, als we een gesprekje met hem wilden hebben. Dat leverde steevast de reactie op: ‘Wat heb ik nu weer fout gedaan?’ Logisch eigenlijk, want niemand wordt graag op het matje geroepen. In overleg met het team is besloten om dat niet meer zo te doen. In plaats daarvan hebben we een lekkere plofbank op kantoor gezet. Sindsdien komen jongeren soms uit zichzelf even bankhangen en stoom afblazen. Zo hebben we toch een gesprekje.” Een ander voorbeeld is het koken op de groep, wat voorheen de gastvrouw deed. Die functie is op verzoek van het team afgeschaft. “De hulpverleners koken nu zelf, samen met de jongeren die dat willen. We merken dat de meeste jongeren dat heel leuk vinden. Tijdens het snijden van de groenten ontstaan vaak de mooiste gesprekken, want het is terloops, je hoeft elkaar niet in de ogen te kijken. Hulpverlenen tussen de soep en de aardappelen, noemen we dat.”

Stoom afblazen

Het goede van de mens voorop stellen, daar draait het om in presentie. “We willen jongeren laten zien: in deze wereld ben jij belangrijk, je krijgt van ons maart stoom afblazenalle kansen. De puberteit is een lastige fase, daar willen we je goed doorheen helpen.” Het uitdelen van straf probeert het team zo veel mogelijk te vermijden. Zoals laatst toen een jongen vol agressie terugkwam van het weekend en iedereen begon uit te schelden. “Dan gaan we niet op onze strepen staan en meteen excuses afdwingen. We blijven kalm, laten hem even stoom afblazen op z’n kamer en smeren een boterham voor hem. De jongen schrikt gewoon van zichzelf, blijkbaar was er thuis iets vervelends gebeurd en had hij zijn boosheid niet onder controle. Hij was helemaal verbaasd dat hij geen straf kreeg. Vanuit presentie zeg je eigenlijk tegen zo’n jongen: ‘We zien jouw verdriet, we gaan voor de relatie’. Uiteindelijk kwam hij uit zichzelf sorry zeggen.”

Grenzen of vrijheid

De groep heeft wel regels, maar die kunnen per jongere verschillen. “Jongeren in deze leeftijd willen vrijheid, maar kunnen het niet altijd aan. Als ze net op de groep zitten, is er een kennismakingsfase. Als die goed gaat, proberen we de wereld een stukje groter voor ze te maken. Ze mogen met ons onderhandelen over de thuiskomtijden etc. Als het misgaat leggen we uit dat we de wereld voor hen te groot hebben gemaakt. Dan bedenken we nieuwe regels, met de jongere samen, en daar gaan we mee oefenen. We kijken steeds weer hoe je een jongere kunt begrenzen, zonder die grens dwingend op te leggen. Ik kan wel zeggen tegen zo’n jongen: ‘Je mag niet naar dat feest, want daar wordt geblowd’. We praten wel over de risico’s, maar geven hem de ruimte om er zelf achter te komen. Als het misgaat, en hij komt doodziek terug, dan is dat een leermoment waarover we in gesprek gaan.”

Huiselijk maken

De groep is geen thuis, vervolgt Jacqueline, maar we proberen het wel huiselijk te maken. “Sfeer is zo belangrijk! Stel je maar voor dat je uit school komt en je ruikt in de keuken de lekkere etensgeuren, er staat een bloemetje op tafel, de fruitmand is gevuld. Vroeger brandden we nooit kaarsen in de woonkamer, want jongeren zouden alles in de fik steken. Nu steek ik de kaarsjes aan en ik zie dat jongeren er echt van genieten. De groep kan hun thuis niet vervangen, maar we proberen de tijd die ze hier doorbrengen wel zo aangenaam mogelijk te maken.”
Een ander voorbeeld is het
internaatmeubilair dat ze de deur uit hebben gedaan, op verzoek van de jongeren. “Zo lelijk, dat spul, niet kapot te krijgen.
We hebben de jongens een budget van 200 euro gegeven om op Marktplaats een nieuwe inrichting aan te schaffen. ‘Als jullie geld overhouden, dan gaan we op vakantie’, zeiden we erbij. De jongens waren super-trots dat het lukte. In de zomer zijn we een weekend met ze naar Engeland geweest. De meubels zijn niet echt mijn smaak, maar daar zeg ik niets over. Ze vinden het prachtig en het interieur wordt sindsdien niet meer vernield.”

Normen en waarden

In de presentiebenadering respecteert de hulpverlener de normen en waarden van het gezin, ook al stroken die niet met zijn eigen opvattingen. “Als een jongeren thuis met zijn hmaart normen en waardenanden mag eten, dan wijs ik dat niet af. ‘Prima dat je dat thuis doet’, zeg ik dan, ‘maar hier eten we met mes en vork’. De loyaliteit van kinderen naar hun ouders is enorm. Een kind vindt het zó belangrijk dat je zijn ouders respecteert. Daarom zullen we hun ouders nooit afvallen, ook niet als een kind ontzettend boos is op zijn moeder. Dan zeg ik: ‘Je hebt maar 1 moeder en daar moet je zuinig op zijn.’ We blijven zoeken naar mogelijkheden om het contact tussen kind en ouders te herstellen. Sinds kort hebben we een Portugese jongen op de groep, die vertelde dat zijn vader lekker kon koken. Die hebben we maar ’s uitgenodigd om een keer Portugees voor ons te koken.” Ook het omgaan met foute vrienden wordt niet afgewezen. “Dat zou alleen maar averechts werken. Vriendjes mogen hier bijvoorbeeld mee-eten, in overleg. Jongeren gaan vanzelf inzien dat sommige vrienden niet goed voor hen zijn. Op de groep hebben we nu 6 culturen, dat levert vaak interessante discussies op aan tafel. Het is een feest om te zien hoe ze elkaar plagen, maar ook elkaars mening respecteren. Aan tafel hoeven ze niet hun mond te houden; we zien het als een goed moment om de groep te observeren en bij te sturen.”

Zelfkritiek

Is presentie een houding die je kunt aanleren? Jacqueline meent van wel. “Belangrijk is dat je
openstaat voor jongeren, scherp kunt zien wat zij nodig hebben en dat je er bent als ze het moeilijk hebben. Als je denkt: ‘ik ga die jongen wel eens even op het rechte pad brengen, dan bereik je niks’. Als je op een groep werkt, heb je een voorbeeldrol en durf je ook kritisch naar jezelf te kijken. Laatst ontplofte een jongen toen ik iets tegen hem zei. Dan ga ik bij mezelf te rade: ‘had ik dat niet wat minder heftig kunnen brengen?’ en bied ik mijn excuses aan. Je moet er tegen kunnen dat jongeren je geregeld een spiegel voorhouden. De jongens op de groep vinden bijvoorbeeld dat ik te hard praat. Dan leg ik uit dat ik uit een gezin kom met 8 meiden, waarin iedereen vocht om de aandacht. Dat vinden ze hartstikke leuk om te weten. Jongeren hebben een enorme honger naar inzicht, ook in de wereld van anderen.”

Cultuuromslag

De cultuuromslag op de groep heeft veel opgeleverd, vindt Jacqueline. Dat ging stap voor stap. “Als team hebben we steeds de tijd genomen voor discussie en reflectie. We bespreken onze vragen en twijfels met elkaar. Welke keuzes zullen we maken? Wat is de beste aanpak voor deze jongere, in deze situatie?” Groepsregels worden regelmatig ter discussie gesteld. Door de medewerkers, maar ook door de jongeren zelf. “Als zij een goed idee hebben, waarom zouden we het dan niet anders doen? Laatst vroeg een jongen zich af waarom hij iedere dag een huishoudelijke taak moest doen, hij zou best 1 dag per week vrij willen hebben. Die vraag hebben we in het teamoverleg besproken. Ze moeten hier natuurlijk al best veel doen vergeleken met jongeren die thuis wonen.” Er wordt sinds kort geëxperimenteerd met een kleinere bezetting: 1 medewerker op een groep van 10 jongeren. “Dat bevalt eigenlijk heel goed. Je zou misschien verwachten dat het zwaar is, maar de jongeren gaan je juist meehelpen, omdat ze zien dat je alles alleen moet doen.” De sfeer op de groep is beter dan vroeger, zegt Jacqueline, sinds de zorg meer aansluit bij de jongeren. En die sfeer wordt bewaakt door de jongeren zelf. “Laatst hadden we een nieuwe jongen op de groep die erg afwerend deed. Hij werd onmiddellijk gecorrigeerd door de andere jongens: Doe ’s effe normaal. We zijn hier niet tegen de leiding en zij niet tegen ons.”

Wondermiddel? maart wondermiddel

Presentie is een basisvoorwaarde om jongeren verder te helpen, maar niet het wondermiddel tegen alle problemen. “Daarvoor hebben deze jongeren teveel achter de rug. Als zo’n jongen dankzij ons weer vertrouwen krijgt in de medemens, een relatie met anderen durft aan te gaan, hebben we al heel goed werk gedaan.” Ze vertelt over de grootste ‘boef’ die ze ooit op de groep hebben gehad, een jongen die al bij 18 adressen was weggestuurd omdat hij de boel overal kort en klein sloeg. Zijn moeder had een aversie tegen hulpverleners, en uit loyaliteit naar zijn moeder werkte de jongen nergens aan mee. Terwijl het zo’n schatje was! We hebben vooral geïnvesteerd in het contact met zijn moeder, haar de touwtjes in handen gegeven en alles in overleg gedaan. Toen ging het eigenlijk heel soepel. Deze jongen woont inmiddels op zichzelf en heeft een vriendin. Nog iedere maand komt hij hier langs om koffie te drinken en te vertellen hoe het met hem gaat.”